Randomisatie
Iedere deelnemer aan het onderzoek heeft evenveel kans om in de interventie- of de controlegroep terecht te komen. Als men in plaats van individuele deelnemers, groepen individuen (zoals huisartspraktijken) randomiseert spreekt men van cluster randomisatie.
Meestal krijgt iedere deelnemer/groep een "random nummer". Is dat niet zo en includeert men de deelnemers bijvoorbeeld alternerend (d.w.z. op volgorde van binnenkomst of dossieropmaak wordt iemand aan een groep toegewezen) spreekt men van systematische of quasi-randomisatie. Deze methode is methodologisch minder goed omdat men bijvoorbeeld gemakkelijker kan achterhalen aan welke groep een patiënt is toegewezen.
Door een correcte randomisatie kan men de interventiegroepen zo gelijk mogelijk te maken wat de karakteristieken betreft die het antwoord op de interventie kunnen beïnvloeden (=confounders). Door stratificatie probeert men de invloed van bepaalde confounders met zekerheid uit te schakelen. Men verdeelt de onderzoekspopulatie in één of meerdere subcategorieën of strata volgens bepaalde criteria, zoals leeftijd en onderzoekscentrum. Per stratum wordt een aparte randomisatie uitgevoerd (dikwijls door gebruik van random permuted blocks).
Concealment of allocation
De toewijzing van de deelnemers aan de interventie-of controlegroep verloopt geblindeerd. Meestal gebruikt men hiervoor gesloten omslagen.